Vloerverwarming - algemeen

De meest toegepaste vorm van lagetemperatuurverwarming en stralingswarmte is vloerverwarming.
Vooraleer de buisjes voor de vloerisolatie geplaatst worden, moet de vloer eerst grondig geïsoleerd worden. Ingeval de vloerisolatie ontoereikend is, zal een groot deel van de warmte verdwijnen via de ondergrond, wat uiteraard niet de bedoeling kan zijn.
De ondergrondse buizen in kunststof worden op 10 à 15 cm van elkaar geplaatst, afhankelijk van iedere situatie. Bij nieuwe vloerverwarming worden doorgaans kunststofbuizen gebruikt (in plaats van koperen buizen). Kunststofbuizen zijn flexibeler bij het plaatsen en zijn beter bestand tegen de uitzettingen door de warmte, waardoor de kans op lekken een stuk kleiner is.
Bij vloerverwarming worden er twee types onderscheiden:
- Het nat systeem: op een isolatielaag (8 cm PUR) wordt een folie aangebracht, en op deze folie worden kunststofbuizen geplaatst. Hierop komt een chape van 8 à 10cm. De chape laag kan dan verder afgewerkt worden met bv vinyl, vloertegels, ... . De verwarmingsbuizen liggen dus volledig in de chape. Algemeen wordt aangenomen dat dit systeem het beste rendement geeft. Let ingeval van vloerverwarming op dat de afwerkingslaag voldoende warmtegeleidend is.
- Het droog systeem: in een gevormde isolatieplaat worden de kunststofbuizen aangebracht. Hierop wordt een plaat in aluminium of gegalvaniseerd staal aangebracht. Daarop komt tenslotte de vloerafwerking. Dit kan een chape zijn of een type gipsplaat, die voor vloeren bestemd is. Aluminium is een goede warmtegeleider, en zal in het droge systeem voor een optimale en snelle warmte-afgifte zorgen. Dit systeem vindt vooral toepassing in situaties waar de ruimte voor een degelijke vloerafwerking eerder beperkt is (oa op verdiepingen, bij verbouwingen).